Wilco Schoonderbeek Alle artikelen

Durfkapitaal vraagt om durf, ook van de politiek.

Nederland wil ook over twintig jaar nog welvaart verdienen en praat daarom weer over een Nationale Investeringsinstelling (NII). De urgentie wordt breed onderkend, maar het gevaar is dat de discussie blijft hangen in boekhouden en in begrippen als ‘marktconform’ en ‘additionaliteit’. Onder die begrippen ligt een andere vraag: durven we te kiezen voor de toekomst die we willen?

Geen boekhoudkwestie, dus een keuze

De directeur Begrotingszaken van Financiën schreef onlangs in ESB dat een ander boekhoudstelsel geen geldmachine is (Dicou, 2026). Een euro kun je maar één keer uitgeven, het tekort zit dicht tegen de Europese grens en de verleiding om alles ‘investering’ te noemen is groot. Daar ben ik het grotendeels mee eens. Maar dan telt vooral zijn slotsom: investeren is een politieke keuze. Dan mag je ook verwachten dat die keuze gemaakt wordt.

In het FD van zaterdag 19 september reageerde de minister van Financiën op het idee om de staatsschuld te laten oplopen voor investeringen. Die reactie is veelzeggend:

‘Dat verhaal kennen we. Het is op zich waar dat je met investeringen meer groei kunt krijgen, maar je moet er wel rente over betalen. Dus moet je zeker weten dat het rendeert. Maar in de politiek is, voor je het weet, alles een investering.’

Die zorg snap ik. Maar het is de logica van de rekenmeester, niet van de durfinvesteerder. Het woord ‘durf’ staat niet voor niets in durfkapitaal.

Leent de staat €10 miljard, dan kost dat nu ruim €350 miljoen rente per jaar. Dat is echt geld, maar minder dan een half promille van het bbp. Daar staat een portefeuille tegenover die rendement kan opleveren, en iets wat in geen enkele begroting staat: een economie die over vijftien jaar anders in elkaar zit.

Marktconform is geen rendement

Neem de uitspraak dat Invest-NL ‘minimaal 2 procent rendement’ moet maken. Dat legt een begripsverwarring bloot die we bij de oprichting van Invest-NL ook al hadden.

Marktconform zegt iets over het moment van instappen. Welke risico’s zijn bekend? Welke rechten krijg je? Welke prijs past daarbij? Zou een private investeerder onder dezelfde omstandigheden hetzelfde doen? Dat is een toets vooraf. Wat er daarna gebeurt, is rendement: een uitkomst achteraf. Je kunt dus marktconform investeren en toch geld verliezen. Private durfkapitaalfondsen doen niets anders. Van bijna honderd Amerikaanse fondsen presteerden er volgens de Kauffman Foundation 62 slechter dan de aandelenmarkt. Bij Amerikaanse fondsen uit 2021 en 2022 was het mediane netto-rendement eind 2025 respectievelijk 0,5 en 0,1 procent (Carta), al zijn die fondsen nog niet uitontwikkeld. Private investeringen zijn dus geen garantie op een positief rendement.

Het verschil tussen één investering en de portefeuille is even belangrijk. Durfkapitaal lijkt op het planten van een boomgaard. Niet elke boom komt op, maar een paar dragen genoeg om de rest te compenseren. Je beoordeelt de boomgaard, niet de boom.

Op portefeuilleniveau zijn er drie verschillende maatstaven:

  1. Positief rendement. Voor Financiën is dit vooral van belang voor de begrotingsbehandeling. Krijgt de staat voor zijn kapitaal een financieel actief van voldoende waarde terug, dan hoeft de storting niet mee te tellen in het EMU-saldo (de schuld neemt wel toe). Maar 2 procent is geen magische grens en geen bewijs dat iets marktconform is.
  2. Risicogewogen rendement. Dat is wat private investeerders moeten nastreven, gezien de belofte aan hun eigen investeerders. Een illiquide portefeuille met lange looptijd en grote kans op verlies die 2 procent oplevert, blijft ver onder wat een private partij voor dat risico vraagt.
  3. Maatschappelijk rendement. Dit is waar de overheid echt iets toevoegt. Denk aan schone industrie, weerbaarheid en werk voor onze kinderen. Het verschijnt niet op de balans van een fonds, wel in de samenleving.

In het gat tussen 1 en 2 zit de ruimte voor een publieke investeerder. Niet door willekeurig goedkoper geld te verstrekken, maar door een langere horizon te nemen, grotere technologie- en transitierisico’s te dragen, genoegen te nemen met een lager portefeuillerendement en privaat kapitaal te mobiliseren dat er anders niet was gekomen. Die ruimte wordt nog groter als Financiën niet vasthoudt aan een positief rendement en de NII op portefeuilleniveau ook een negatief financieel rendement toestaat. Dan moet de NII zich wel in Brussel aanmelden voor goedkeuring van geoorloofde staatssteun. Dat opent een heel andere discussie, waaraan ik wellicht nog een keer een apart artikel wijd.

Het CPB waarschuwt terecht dat dit niet gratis is. Een lager rendement is feitelijk een subsidie, en de NII is geen wondermiddel omdat bedrijven ook tegen personeel, energiekosten en regelgeving aanlopen. Daarom moet je het verschil expliciet en vooraf benoemen. Zo wordt duidelijk welk deel van de portefeuille het financiële rendement moet halen en welk deel bewust maatschappelijk rendement koopt. En je moet achteraf meten of het gelukt is, ook bij de investeringen die je overwoog maar niet deed. Dat is het antwoord op de angst dat ‘alles een investering’ wordt: een heldere doelstelling en eerlijke evaluatie, geen strenger boekhoudstelsel.

Wat voor toekomst wil je?

Voor het gat in de financieringsketen is de urgentie er. TNO liet zien dat in 2005–2019 slechts 1,3 procent van de Nederlandse deeptech-scale-ups in klimaat en energie een financieringsronde van €20 miljoen of meer wist af te ronden, tegen 4,8 procent in het Verenigd Koninkrijk. Onze bedrijven hebben het potentieel, maar ze krijgen te weinig kans om te groeien.

De vraag is dus niet alleen wat een investering vandaag oplevert. Het gaat om de vraag in wat voor wereld je als overheid wilt dat burgers hun leven kunnen leiden. Dat vraagt om een visie. En als die er is, vraagt het de durf om haar uit te spreken en het politieke vakmanschap om partijen van links tot rechts mee te krijgen. Het voornemen voor een NII staat inmiddels in het coalitieakkoord, het rapport-Wennink ligt er en de schuld is laag. De ingrediënten zijn er dus.

Conclusie

Er is geld genoeg. De vraag is of wij het vrij willen maken en of het naar de juiste dingen gaat, en die vraag stelt niemand zich graag. ‘Te weinig geld’ is dan een comfortabel excuus om niet in de spiegel te hoeven kijken. Durf is daarbij geen roekeloosheid. Het is vooraf kiezen, het verschil tussen rendementen open benoemen en achteraf eerlijk afrekenen. Dat kan Nederland. Het vraagt alleen dat we het willen.

De auteur schrijft op persoonlijke titel.

© 2026 Wilco Schoonderbeek — Eudaimonia BV Terug naar de website